Het wordt spaghetti.
Negen boodschappentassen? Hm, dan mis ik er nog eentje. Oh, wacht, die heb ik meegehad naar de markt. Die ligt vast nog in de keuken. “Ik ben klaar, hoor” zeg in het voorbijlopen tegen mijn man in de woonkamer.
Het is de eerste zaterdag van de maand. Boodschappenzaterdag: eerst samen ergens een kopje koffie drinken en dan de 4 standaard supermarkten langs om de voorraad weer aan te vullen. En nu, in deze onzekere tijden, misschien zelfs wel van alles een beetje meer in te slaan.
“Ja, wacht, ik zou dit nog even regelen voor een collega” hoor ik ‘m zeggen. “Okay” en ik pak de lege tas en loop naar de voorraadkast. Ben ik echt niets vergeten op ’t lijstje te zetten?
Na de check loop ik terug naar de woonkamer en zie dat ie nog druk bezig is. Wat nu? Laat ik de wasmachine vast vullen, dan hoef ik die straks als we terugkomen alleen maar aan te zetten. ’t Wordt een zwarte was.
Terug naar de woonkamer. “Hoe lang denk je nog nodig te hebben?” “Half uurtje, maximaal.” Ik ga er bij zitten en pak een tijdschrift om de tijd te doden. Het halfuurtje wordt drie kwartier, een uur, wordt anderhalf uur.
Heb intussen het kopje koffie buiten de deur allang vervangen door een bakkie uit eigen keuken en overweeg of het niet verstandig is om eerst te lunchen voordat we gaan. Met een lege maag boodschappen doen...
Als we na de lunch de keuken inlopen, herinnert mijn man zich dat hij de plafondlamp zou vervangen. De lamp die er hing was al zó oud, dat er geen passende lichtbuis meer voor te vinden is en de huisbaas heeft ons een andere lamp gegeven. Twee weken geleden. Dus ik, allang blij dat ik weer fatsoenlijk licht in de keuken krijg, zeg: “strak plan”.
Een kapotte boormachine, twee niet passende pluggen en een steeds loslatend kroonsteentje later is het dan eindelijk zo ver. De lamp hangt en we kunnen gaan.
Vier uur later, als ik alle boodschappen heb opgeruimd en met de lege tassen langs de woonkamer loop, hoor ik: “Schat, wat eten we vandaag eigenlijk?” Er knapt iets in mij. Ik weet niet wat, maar ik voel de energie uit mijn lijf wegvloeien. Ik doe of ik ‘m niet hoor, ruim de tassen op en loop naar de badkamer. Even alleen zijn. Even diep doorademen voordat ik ga bedenken wat we gaan eten.
Met mijn rug tegen de dichte badkamerdeur geleund, staar ik naar de volle wasmachine. Ik voel hoe er een traan langzaam, zo over mijn wang onder de kraag van mijn bloes verdwijnt. Die was had droog kunnen zijn als ik me niet de hele dag zo gemakkelijk had aangepast. En ik voel me schuldig. Schuldig naar mezelf.
Duw mezelf bij de deur vandaan, loop naar de spiegel, pak een tissue en veeg het spoor van die ene traan weg. Ik check of ik er ‘normaal’ uit zie. Vermijd daarbij om in mijn ogen te kijken. Ik slik en loop naar de keuken. Het wordt spaghetti