Wir sind ein 4-Sternen Restaurant

Gek hoe 4 woorden je, zonder dat je het in de gaten hebt, 40 jaar terug kunnen brengen in de tijd. “Deze dag in 1985” stond er en ‘plop’ ik was terug in Zwitserland. Ik neem je gezellig mee op de ‘trip down memory lane’ omdat ik denk dat je er iets aan kunt hebben.

In 1982 studeerde ik af, maar ik vond geen werk. In een krantenbericht las ik iets over in de horeca werken in Zwitserland. Eerst een speciale cursus volgen in Nederland en dan op avontuur in Zwitserland. Dat leek me wel wat! Georganiseerd avontuur weliswaar, met contracten en geregelde werkplekken en onderdak. Maar toch, ik ging!

Sursee werd mijn uiteindelijke bestemming. In het restaurant van een 4 sterrenhotel kwam ik terecht tussen een superleuk internationaal team: collega’s uit Duitsland, Oostenrijk, Portugal en Joegoslavië. We woonden met z’n allen in een groot appartement vlakbij het hotel waar we het ontzettend gezellig hadden.

Ondanks dat we, door de wisseldiensten, zelden allemaal tegelijk thuis waren, was er altijd wel iemand om gezellig mee te kletsen. En om even je hart bij te luchten: de cheffin van het restuarant was namelijk een draak van een mens. Ze had het een beetje hoog in de bol. Wij (de internationalen) waren in haar ogen geen knip voor de neus waard, want “als we ‘iemand’ geweest waren, dan hadden we wel werk gevonden in ons eigen land”. Ze had op iedereen en alles wat aan te merken, niets was ooit goed genoeg. En ze deed er alles aan om je dat duidelijk te maken. Gelukkig zaten we met alle collega’s in hetzelfde schuitje. We hoefden elkaar maar aan te kijken en met onze ogen te rollen als we hoorden hoe ze met d’r hakken op de tegels aan kwam stampen. Te pas en te onpas riep ze bovendien “we zijn een 4-sterren restaurant”. Dat was natuurlijk helemaal niet waar, we waren alleen maar het restaurant van een 4-sterrenhotel.....

Heb je een beeld? Goed.

Hoef ik je nu alleen nog maar een beeld te schetsen van de ochtenddienst. Die begon om 7 uur met het klaarmaken van het ontbijtbuffet voor de hotelgasten. Die konden, behalve alles van het buffet, bij ons ook nog spiegelei of omelet bestellen en verse koffie en thee zoveel ze wilden. Vanaf 7 uur kwamen ook de eerste ‘normale’ gasten binnendruppelen voor een kop koffie met een kaneelbroodje of een ontbijt. Om te voorkomen dat de gewone restaurantgasten eten van het buffet gingen pakken, stonden er op de tafels mandjes met broodjes en koeken. Als serveerster moest je dan zelf in de gaten houden óf en wat en hoeveel er uit die mandjes gegeten werd. Chaos. Dat is het enige woord dat me te binnenschiet als ik aan die ochtenddiensten terugdenk.

Op ’n ochtend komt mevrouw de cheffin om 10 uur op hoge poten naar me toe stormen, terwijl ik net met een dienblad bij een tafel stond, klaar om te serveren.

“Wat ik wel niet dacht om gasten zó te behandelen”. Ik had geen flauw idee waar ze het over had. Piekerde me suf wat ik fout gedaan had, was me van geen kwaad bewust. En zij? Ze ratelde maar door. De hele riedel van dat wij, de buitenlanders niets waard waren, kwam er uit. Dat wij één brok ellende waren en dat ze spijt had dat ze aan onze contracten vast zat anders had ze ons allang naar huis gestuurd. Blah, blah, blah.

Intussen stond ik daar maar. Met een vol dienblad bij een tafel met 6 gasten die zich steeds ongemakkelijker begonnen te voelen. “En? Wat heb je daar op te zeggen?” vroeg ze ineens.

Ik keek haar aan en op dat moment kon ik niets anders zeggen dan: “Ik heb altijd gedacht dat wij een 4-sterren restaurant zijn. En in een 4-sterren restaurant spreekt men in het bijzijn van gasten niet zó tegen zijn personeel”. Heel kalm en beheerst, terwijl ik van binnen razelde.

Cheffin keek me verbijsterd aan en kon alleen maar uitbrengen: “Direct naar mijn kantoor als je hier klaar bent!” en stampvoetend verliet ze het restaurant.

Ik draaide me om, met trillende handen zette ik het dienblad op de tafel en vroeg aan de gasten of ze alsjeblieft zelf hun drinken konden pakken, want ik wist niet of ik dat wel kon zonder te knoeien. Gelukkig waren de gasten heel begripvol en fluisterden dat ik dat goed gezegd had tegen haar.  Dat hielp gelukkig een beetje om weer rustiger te worden.

Terwijl ik dit schrijf voel ik weer hoe onrechtvaardig ik me behandeld voelde. Voel ik weer hoe zij hier echt 1 stap te ver gegaan was. Hoe ik me tegelijkertijd boos en verontwaardigd en sterk en in mijn gelijk voelde staan, terwijl ik ondertussen razelde en trilde over mijn hele lijf.

Waarom ik je dit allemaal vertel?

Omdat ik me door deze herinnering ook realiseerde dat ik DIE Erwina in de afgelopen 40 jaar ergens ben kwijtgeraakt.

De Erwina die voor zichzelf opkwam. De Erwina die wist waar haar grens lag. De Erwina die dat beleefd maar heel beslist durfde te zeggen. De Erwina die zich niet de kaas van het brood liet eten.

Maarrr... als ik dat tóén kon, dan zou ik dat nu toch ook nog moeten kunnen? Dat stukje móét nog ergens in mij zitten. Waarom ben ik steeds vaker mijn woorden in gaan slikken? Mijn  mond gaan houden? Steeds opnieuw mijn grenzen gaan verleggen?

Ik mis haar. Ik mis dat stukje van mij. Ik mag mezelf er vaker aan herinneren dat ik dat óók ben en dat dat nog steeds in mij zit. En om me daar bij te helpen, hangt er nu een briefje boven mijn buro:

 

WIR SIND EIN 4-STERNEN RESTAURANT.


5 woorden die me terugbrengen naar 1985. Naar een versie van mezelf die er nu ook gewoon weer mag zijn.