Het dorp brandt. En ik kijk naar de maan.
Hier in de Balkan is er een bekende volkswijsheid: Село гори а баба се чешла (Selo gori a baba se cheshla: het dorp brandt en oma borstelt haar haren). Het wordt gebruikt om aan te geven dat iemand zijn prioriteiten niet op orde heeft.
Alleen, en daar kan ik echt niets aan doen, als iemand dat zegt, zie ik het meteen voor me: zo’n dorp in de bergen met 7 brandende huizen en een kerkje. Mensen die in paniek met emmers water heen en weer aan het rennen zijn. En ergens midden in het dorp, vlak bij het bronzen oorlogsmonument, zit op een paars plastic stoeltje een stevige gerimpelde 100-jarige moeke heel rustig haar lange zilvergrijze haren te borstelen en te vlechten.
Wat zou ze denken vraag ik me af. “Joh, maak je niet zo druk. Het duurt sowieso nog meer dan een uur voordat de brandweer hier is met een tankauto.” Of: “als nu mijn tijd dan echt gekomen is, ga ik in elk geval netjes verzorgd”. Of (en stiekem hoop ik dat ze dát denkt) “ik vind het prima zo. Nu is het jullie beurt om de kastanjes uit het vuur te halen. Dat heb ik mijn hele leven al gedaan”.
Zou het niet geweldig zijn als je dát niveau van loslaten kunt bereiken? Dat je je niet langer verantwoordelijk voelt voor alles en iedereen. Dat je niet langer de chaos ordent die anderen creëren. En dat je ook niet meer meteen zegt ‘kom maar, doe ik wel’ als er iets gebeuren moet (zelfs niet als je van te voren gewoon weet dat jij uiteindelijk tóch degene bent die het doet. Zucht)
Ik merk dat ik, hoe ouder ik word, gelukkig steeds vaker mijn schouders eens ophaal. Dat gaat zéker niet vanzelf en soms moet ik er héél erg mijn best voor doen.
Zoals de vorige keer toen we ’s avonds laat in de file stonden bij de grensovergang en het lampje van het oliepeil begon te branden. Dan ontstaat er een soort wervelstorm van binnen. Woede en teleurstelling vechten om als eerste naar buiten te razen omdat niemand wilde luisteren toen ik voor vertrek vroeg of we het oliepeil niet moesten controleren. “Ik heb het nog zó gezegd!” ligt dan boos op het puntje van mijn tong. Diep van binnen voel ik een schreeuw opkomen: “ik kan verdorie ook helemaal niets aan jullie overlaten!!!”.
Paniek en vragen beginnen te borrelen: waar kunnen we nu op dit tijdstip nog olie kopen? Alle tankstations zijn al dicht. Hoe komen we nu thuis? En wat als we doorrijden en we de motor in de soep rijden? Rare gedachtes vragen om aandacht: als we in elk geval maar eerst de grens over zijn, anders wordt het allemaal nóg ingewikkelder en duurder. Gelukkig hebben we niet alle broodjes opgegeten en er is geloof ik ook nog water. Als we onderweg stranden hebben we in elk geval iets te eten en te drinken.
Ik wil opzoeken waar het dichtstbijzijnde open tankstation is. Zoeken of er ergens in de buurt een overnachtingsadres is. Hoe ver je nog kunt rijden als het olielampje begint te branden. En ik wil mijn telefoon uit de tas pakken die bij mijn voeten staat.
Terwijl ik vooroverbuig kijk ik naar buiten. Zie de maan en de sterren aan de donkere hemel en ineens overvalt het me: dit is niet MIJN chaos. Het is nu niet MIJN taak om voor een oplossing te zorgen. Een hele diepe zucht ontsnapt. Ik voel mijn schouders ontspannen. Ik zak, zonder telefoon, met mijn rug terug tegen de rugleuning. En ik kijk naar de maan.